Writing: Hopsakee

Een grote straat reikte voor mijn kleine voeten. Ik stapte van het trottoir af en voelde de bussen als sneltreinen langs mij heen schieten. Mijn grote, bruine ogen stapte ik voorzichtig nog een stapje verder de straat op. Zodat de bussen nog dichter langs me heen schoten. ‘Waarom doe ik dit?’, zei ik tegen mezelf. Ik stapte weer de stoep op en draaide me abrupt om toen er een jongen mij op de schouder tikte. Met een ferme ruk draaide ik om mijn as heen en kijk in zijn groene ogen. Hij leek sprekend op mij, maar dan toch anders. Het was alsof hij mij iets wilde laten zien.

‘Hopsakee.’, zei de onbekende jongen. Hij loodste me door het drukke verkeer van deze stad en zei eigenlijk helemaal niets. De jongen die een grote ‘R’ op zijn vest had staan, keek me aan en wees naar een deur naast ons. Hij knikte. We liepen naar binnen en kwamen uit in een reusachtige kamer waar allerlei kleine wezentjes naar bepaalde doorschijnende bakjes liepen. Elk wezentje liep met verschillende soorten papiertjes in een wirwar naar de bakjes toe en dumpte het papier erin. ‘Hopsakee.’, werd er naast mij gezegd. De onbekende wees me op een bordje dat hoog op de tegenovergestelde muur hing. Op het bordje stond: Jouw brein.

Met de lift gingen we naar de eerste verdieping. Op de eerste verdieping was het ook niet bepaald rustig. Dit keer knikte ik, alsof ik al snapte wat er bedoeld werd. Ik voelde mijn rug kriebelen, alsof alle stress opgekropt zat. Ik voelde me heel opgesloten op deze etage. ‘Hopsakee.’, zei de jongen weer. Een deur aan de zijkant ging open. Een leger van kleine, gele mannetjes en vrouwen kwamen de kamer ingesprongen. Boing, boing, boing. De gele wezentjes tikten met hun koppen tegen het plafond aan en kwamen toen weer naar beneden. De vloer leek wel te functioneren als springkussen. ‘Hopsakee.’

Mijn weerspiegelende ik loodste me verder. We namen een andere deur met een groot geel kruis erop. De suizende weg beneden maakte nogal een hoop indruk. Het geluid kwam hard binnen in mijn oren. Ik balanceerde over het randje voor de deur en keek angstig naar buiten. Wat gebeurt als ik mijn ter pletter laat vallen? Dat overleef je toch niet? ‘Hopsakee.’ De toch wel relaxte jongen die achter mij stond duwde me naar voren. Mijn wankelende benen lieten mijn voeten in de steek. Ik helde voorover, mijn voeten konden het gewicht niet houden. Ik tuimelde naar beneden. Wieee

‘Hé, ik ben niet op de grond beland! Maar waar ben ik dan?’ Door de lucht vloog mijn spiegelbeeld. Beheerst zette hij zijn voeten naast de mijne. Ik ging op een stoel zitten en besefte toen pas waar ik was en wat ik aanhad. Ik keek naar mijn gebruinde huid en een felblauwe zwembroek. Ik zat op het strand. Lekker ontspannen. ‘He, dit is wat een mens nodig heeft.’ ‘Hopsasa.’

Wat een mens nodig heeft, is nu wel duidelijk. Bovenstaand figuur wordt door zijn innerlijke ik meegenomen op een reis door een groot gebouw waar hij zichzelf tegenkomt. Eerst weet de figuur niet wat hem overkomt. Later beseft hij dat het betrekking heeft op hemzelf. Hij wordt figuurlijk teruggeduwd om te kunnen ontspannen. Iets wat elk mens nodig heeft. Hij belandt op een mooi strand. Waar het natuurlijk heerlijk vertoeven is.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s